Patiënt als partner maakt patiëntenvereniging nog belangrijker

‘Bij ons staat de patiënt centraal.’ Dat stond tot voor kort in de missie van elk ziekenhuis en iedere zorgorganisatie. Ik moet bekennen dat ik die woorden zelf ook wel eens vol overtuiging heb getikt, toen ik nog op de communicatieafdeling van een ziekenhuis werkte.

Maar het idee van die centrale patiënt gaat steeds meer schuren. Want het is natuurlijk wel een heel passieve rol, ‘centraal staan’. Het betekent dat iedereen zich om je bekommert en dat de zorg om jou draait. Maar wat mag jij zelf doen? Welke verantwoordelijkheid heb je? Wie luistert naar wat jij in te brengen hebt? Wat heb jij te zeggen over je behandeling? Over je leven? En wat doen dokters en verpleegkundigen met de deskundigheid die jij hebt? ‘Centraal staan’ zegt niets over de relatie en de interactie tussen patiënt en zorgverlener.

Gelukkig zijn er steeds meer ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen die zich deze vragen stellen. En die hun patiënt niet meer centraal stellen, maar hem als partner zien. Als onmisbare teamspeler bij de behandeling van zijn ziekte. Er is zich een kleine aardverschuiving aan het voltrekken op het terrein van de relatie tussen patiënten en zorgverleners. Eentje die ik van harte toejuich.

De patiënt als partner betekent ook dat de rol van patiëntenverenigingen groeit. Zij moeten patiënten voorzien van relevante en objectieve informatie en ervaringen van andere patiënten. Zodat de patiënten beter toegerust zijn voor hun rol als partner in hun eigen behandelproces. Zich aangemoedigd en ondersteund weten.

Goede communicatie door patiëntenverenigingen was belangrijk. Maar die wordt in de komende jaren alleen maar belangrijker – en boeiender.

Dit blog is gebaseerd op het hoofdredactioneel voorwoord van Hematon Magazine 01

 

Hoort wat klopt daar niet?

Natuurlijk kijk ik, net als de meeste mensen, een paar keer per dag nu.nl en de NOS-app op mijn telefoon. En zo blijf ik aardig op de hoogte van het laatste nieuws. Dat wil zeggen, ik zou leuk scoren bij de dagelijkse nieuwsquiz op radio 1 en op elke verjaardag kan ik meepraten.
Maar zo af en toe kom je een artikel tegen dat bewijst dat er meer nodig is. Dat we niet kunnen zonder kwaliteitsjournalistiek, gemaakt door nieuwsgierige, onbevangen en onafhankelijke mensen. Dat je soms even de denkkracht van een ander nodig hebt om een eindje op mee te surfen. Zo’n verhaal was de bijdrage van Rob Wijnberg aan de Zwartepietendiscussie.
Hij legt uit wat er zo jeukt aan deze hype. Onmisbare journalistiek.

Oude Pekela, Putten en… Cuijk

Even vooropgesteld: het imago van Cuijk staat in de prioriteitenlijst rondom de geruchtmakende zedenzaak van de man die honderden meisjes digitaal misbruikte, op plaats 159c. Totaal onbelangrijk dus.
Maar toch: er komt een moment dat de zaak achter de rug is en Cuijk haar knopen gaat tellen. Wat blijft er dan hangen aan het imago van de Brabantse plaats? Hoe lang zal het dorp geassocieerd worden met misbruik van minderjarige meisjes?  Een jaar, twee jaar, vijf, twintig? Ik denk bij Oude Pekela nog steeds aan clowns. En bij Putten aan De Moordzaak. Terwijl die zaken zich in 1987 respectievelijk in 1994 afspeelden.
De associatie met zulke afschuwelijke zaken ebt pas weg als ze ‘overschreven’ wordt door andere ervaringen. Daarom zullen weinig mensen bij Amsterdam nog als eerste denken aan de gruwelijkheden die Robert M op zijn geweten heeft. Amsterdam is sindsdien op nog veel verschillende manieren in het nieuws geweest.
Maar voor plaatsen als Cuijk, Putten of Oude Pekela wordt het een stuk lastiger om van de associatie met een – al dan niet vermeend – misdrijf af te komen. Veel het nieuws halen. Dat lijkt de enige oplossing.